Tagarchief: sporten

Met vier naar Lier

“Schrijf daar maar eens een stukje over”, aldus een Fietsmadam. En eigenlijk, waarom ook niet? Want die Fietsmadam, die had zichzelf toch wel overtroffen vandaag, in wat volgens haar haar snelste rit ooit is.

We waren maar met 4 – het is vakantieperiode voor iets – en we reden een route die we wel meer rijden. Nu, ’t is te zeggen… ik zou de route moeten kennen, maar feit is dat ik eigenlijk niet zo geweldig ben in het onthouden van die fietsroutes. Als ik alleen rijd, kies ik dan ook op veilig: richting kanaal, en dan naast het kanaal naar Leuven, en weer terug. Oftewel langs de Zenne- en Rupeldijk richting Willebroek, en – inderdaad – van daaruit ook weer dezelfde weg terug. Ik ben daarom ook altijd content dat andere Madammen wél leuke routes uitzoeken om te rijden. Zo kom ik ook nog eens ergens. 🙂

Deze route, die gaat via de Zenne naar de Nete en dan zo door naar Lier. Lier, de stad van de Zimmertoren. Ik was er deze week al vlakbij geweest, zo wou iemand mij toch doen geloven, maar zo goedgelovig ben ik dan ook weer niet.

Lier dus. Met vier. Er waren maar 2 mogelijkheden: of ik reed achteraan, of ik trok (mee) de kop. Feit is: ik had goede benen. Kwestie van het goede paar te kiezen ’s ochtends natuurlijk. Dat, en ik heb natuurlijk ook nog maar net een goede hoogtestage achter de rug. Dus die goede benen, die draaiden nogal goed op mijn fiets. Aan de kop, want goed ja, ik kan dat eigenlijk wel. Ik ben wel erg slecht in tempo houden, dus ik ga meestal veel te snel.  En ja, dan moet de rest mee in dat tempo. ’t Is te zeggen, ze moeten niet mee, maar ze gingen wel mee. Ik heb een paar keer gevraagd of het niet wat trager moest, maar neen, dat moest niet. Knap. Rijden op karakter, totaal uit de comfortzone.

Mijn enige probleem is eigenlijk dat mijn voet, de rechter meestal, gaat ‘slapen’ als ik te lang ingeklikt zit. Ik heb voorlopig geen idee wat ik daaraan kan doen, behalve dan af en toe stoppen om hem even uit te klikken. Het is namelijk de voet die altijd ingeklikt blijft, want ik klik links uit aan oversteekplaatsen enzo.

Maar bon, die comfortzone, daar gingen we dus los door. Het tempo bleef losjes rond de 27 à 28km/u hangen, en ik heb uiteraard ook nog even geprobeerd of het nog hoger kon. En ja, dat kon nog, maar daarna waren de benen wel choco. Ook de mijne ja, aan 33km/u. Blijkbaar dachten sommige Fietsmadammen eerder ook dat ik een soort van motortje in mijn frame zitten had, omdat dat fietsen zo “gemakkelijk” lijkt bij mij. Ha! Fijn dat zij vinden dat het zo gemakkelijk lijkt, ikzelf voel het toch ook wel. Zeker na het kopwerk tegen de wind in, dat laat zich toch wel flink in de benen voelen. Dat, plus dat de rit van vrijdag natuurlijk ook nog in de benen zat.

Evengoed: net geen 65km totaal aan een gemiddelde van 24,5km/u! Superknap gereden van ons vind ik dat. Het drankje na de rit was dan ook weer geweldig verdiend. Dat is als je geld mee hebt natuurlijk, om dat drankje te betalen. Ik wist vanochtend toen ik de deur dicht trok dat ik toch iets vergeten was, maar ik kwam er zo 1-2-3 niet op. Dat probleem werd netjes opgelost, want de dames betaalden mijn drankje voor het geleverde kopwerk. Ik ga daar nog mee meerijden, met die Madammen!

De kaderkat

Zo. De Ottonenlauf is achter de rug, de looptrainingsschema’s mogen weer even de kast in, tijd voor die andere hobby. Fietsen. Ik heb dat fietsen wat verwaarloosd de afgelopen maanden, ik geef dat grif toe. Ik heb zelfs mijn fiets wat verwaarloosd, het slijk van een rit van een paar maanden terug hangt er nog altijd aan.

Ik was eigenlijk zinnens om deze week nog wat te bekomen van alle sportieve inspanningen van de afgelopen week, en dan weer de fiets op te stappen. Kwestie van ook alle Fietsmadammen de kans te geven terug uit vakantie te komen, enzo. En ook kwestie van mijn spieren wat rust te gunnen. Want ik heb het even uitgeteld, wat ik zo op een week tijd gedaan heb. Wandelen (en over de rotsen klauteren) en lopen samen kom ik toch algauw op ongeveer 90 kilometer totaal.

DSC02709.JPG

Negentig zeg! Ik! Halloooowwww! Geen wonder dat mijn spieren wat rust kunnen gebruiken, dacht ik zo. Dat denken, ik moet dat niet meer doen. Want toen een vriend vroeg om vandaag te gaan fietsen, zei ik zomaar onnadenkend gewoon “ja”.

Vanochtend om 9u30, fietsen dus. Ik zag het zitten. Dat was tot we ongeveer 10 kilometer gereden hadden en mijn ketting ging ratelen. Oepsie. Uitklikken (ha!) en stoppen dus maar. Na een kort nazicht bleek er niets aan de hand, en kreeg ik als tip dat ik niet zo laag moet schakelen. Dat lager rijden wel eleganter is, maar dat ik met al die kracht in mijn benen dat eigenlijk niet nodig heb. Ja goed, zo kan je het ook omschrijven dus. Door dus, maar dan niet-elegant!

rechtslinksDat klikken is en blijft anders wel een dingetje. Ik vergeet nu niet meer dat ik aan mijn fiets vasthang, maar ik klik mij toch graag ruim op tijd uit. Wat lastig is, als je met iemand meerijdt die last-minute beslist hoe we gaan rijden. “Hier naar rechts”, waarna hij links inrijdt. Iewww! De stress!

 

En toen moest de kaderkat nog komen! De kaderkat ja! Zo’n gevlekte tijger die plots uit de haag naast mijn fiets sprong, en die denk ik door het kader van mijn fiets gesprongen is. Het kan bijna niet anders. Een soort van tover-kaderkat dus. Die kat en ik, wij konden elkaar eigenlijk niet meer ontwijken, en toch heb ik ze niet geraakt. En zij mij niet. Een gelukje, anders had mijn fietspartner mij van de betondallen mogen schrapen. Zoiets.

Die betondallen trouwens op die fietspaden, dat is toch ook wat. Maar ik ga dit keer niet zagen over de slechte fietspaden. Of toch, misschien nog over dat ene scheve fietspad. Als het wat regent schuif je daar zo naar beneden. Gelukkig regende het niet. Alweer een gelukje! Zoveel gelukjes dit keer zeg. Er was ook nog het gelukje van de fietspartner die wél een lekkere koek voor onderweg bij had (en die ook wou delen) in plaats van die droge rommel die ik zelf mee had? Wawasdazeg, nooit meer!

4578b7a09c4a91c76599eb98b6a64ab5Enfin, we hebben een stuk van de Dodentocht gereden, het was ook al pokkedruk in Bornem. We hebben ook een wijk “ontdekt” (inderdaad, “kom, we rijden hier rechts in 😀 “) waar alle straten vogelnamen hebben, en waar een raar huis staat dat bestaat uit een schoorsteen met wat bakstenen rond, we hebben ook Temse zien liggen, en de brug. Hulst zal voor een andere keer zijn, want er moest vandaag ook nog in de tuin gewerkt worden.

Maar zo’n rit, dat brengt dus wel wat op. Ik kan blijkbaar ook meer dan ik dacht. Alweer. Want ik had nooit gedacht dat ik 75 kilometer aan gemiddeld 25km/u kon rijden. Mijn benen laten zich nu wel voelen, maar dat mag ook vermoed ik. In ieder geval: ik denk dat ik nog wat reserve heb, alles kan nog altijd beter. En dat is wel een heel fijn gevoel. Weer een gelukje. Soms kan het gewoon niet op!

Ik liep een halve marathon!

Streckenprofil Ottonenlauf.JPG

Dit dus. Vanaf Meisdorf. 26 kilometer. Ik! Ik heb dit gedaan, ik heb dat gelopen! Ik besef het eigenlijk nog altijd zelf niet zo goed, maar ik heb dus écht een hele halve marathon gelopen!

Het aanloopverhaal is gekend, dat staat hier in het lang en het breed op de blog. Uiteindelijk besliste ik van mijn hoofd niet meer verder zot te laten maken, en er gewoon voor te gaan. Zelfs nadat plan A, het rustig aan doen met mijn vaste loopmaatje in het water viel nadat mijn loopmaatje geblesseerd geraakte. Plan B  was mee te wandelen met onze wandelaars, maar ik was niet als wandelaar ingeschreven (met dank aan de mannen die mij daar ook even op wezen 😉 ). Ik zou er ook spijt van gekregen hebben, mocht ik de afstand gewandeld hebben. Plan W, dat was wel het goede plan. Plan W van plan Wijn. Een plan dat eigenlijk heel simpel was: elkeen van de club die voor mij finishte, moest mij een glaasje wijn betalen ’s avonds. Aha! Win-win, vooral voor mij dus! Gedaan met de stress, gedaan met het mezelf de gordijnen in te laten jagen. En ’s avonds wachtte mij een goedkope avond, meer dan 1 avond zelfs. Want als ik het goed geteld had, dan zouden er zeker 7 personen voor mij aan de aankomst komen. De 8e persoon was wat twijfelachtig, want die zat op de langere afstand. In theorie kon het, want ik had mijn doel op 4u gezet. Gezien hij ongeveer 3u45 (apeupres) op de marathon doet, zou het wel kunnen.

Bon, uiteindelijk was de dag en het uur daar, en werd de start gegeven. Het is te zeggen, het startschot ging eigenlijk pas af toen we al een paar honderd meter verder waren, maar dat is een detail. Ik wist dat het parcours gelijk omhoog zou gaan, en dat deed het ook. Pff. Waar was ik aan begonnen? En dat tempo! Ik besloot van het toch verstandig te doen, en niet mee te gaan met de rest. Rustig aan dus, zelfs al ging een snel-wandelaarster (hallo! dat tempo!) mij voorbij. Wat verder ging het bergaf, en hupste ik haar weer voorbij. Geen idee of ze daar blij mee was, erg vriendelijk was ze niet.

De 2 mannen “wandelaars” van de club werkten met een schema. 5 minuten wandelen, 5 minuten lopen, behalve als ik nog niet zou gepasseerd zijn, dan zouden ze 10 minuten wandelen. Dus die mannen en ik, wij pingpongden een beetje. Bergop liepen ze mij voorbij en zei ik elke keer ‘tsjing tsjing’, en bergaf liep ik hen weer voorbij en ging de wijnteller weer op nul. 😀

Ik was ook blij dat ze nooit echt ver weg waren. Ook omdat onderweg een ‘halfnaakte oudere’ man beslist had om zich een beetje over mij te ontfermen. Eerst kwam hij een praatje maken, hij kwam ook alsmaar zeggen dat ik een mooi gelijkmatig tempo liep, en dat ik goed bezig was. Op zich niet erg, maar op een gegeven moment vroeg hij blijkbaar ook aan 1 van mijn clubgenoten of ik zijn vrouw was. Toen hij daar negatief op antwoordde, kwam hij als een speer weer mijn richting uit. Dat had ik nu nodig. Not!

De redding kwam iets verder. 1 van de 2 “wandelaars” liet het wandelschema voor wat het was, en kon de roep van het bergop-lopen niet weerstaan. De andere “wandelaar” wachtte mij op, en liep met mij mee verder. De ‘halfnaakte’ Duitser deed eerst nog een poging om mee te lopen, want hij wou ook heel graag Nederlands leren.

Enfin, lang verhaal kort: na de “drank en eten”-bevoorrading (‘hé kijk, ze hebben hier ook bokes met choco’) geraakten we hem toch kwijt. Idem voor de wandelaarster die ons bergop weer bijgehaald had. We liepen haar voorbij, en we zouden haar niet meer zien.

Nu goed… ik laat het allemaal gemakkelijker klinken dan het was. Bergop was ook wel echt bergop, en dat was best zwaar. Bergaf daarentegen, dat was wel leuk. Of zoals mijn looppartner zei: het tour de France-gevoel al lopend. We zagen vooraf waar we moesten opletten om niet uit de bocht te gaan, het tempo was meer dan ok, het liep vlotjes. De bergop die we op kilometer 10 verwacht hadden, die kwam iets later, maar was wel de moeite. Het bergaf-gevoel richting aankomst liet wel op zich wachten.

De inzinking die ik verwacht had, omdat ik niet meer dan aan 17 kilometer geraakt was qua training, die kwam er niet echt. Kilometer 17 was wel het punt waarop ik even aanhaalde dat ik nog nooit verder dan dat gelopen had, maar mijn looppartner vond dat geen reden om te stoppen. Niet dat ik dat zinnens was overigens. Dus we liepen verder. En verder. Op kilometer 20 begon ik wel mijn benen te voelen, maar verder… het liep, en het liep, en het liep. Dus bleven we lopen. Mijn loopmaatje had vooraf gezegd dat ze mij tegemoet zou komen om de laatste 5 kilometer mee te lopen, maar we zaten al op kilometer 3 van de aankomst toen we haar zagen. Ze was verrast ons daar al te zien. 🙂 Het laatste stuk was dan nog het lastigste. Een lang saai stuk langs een fietspad, maar wél met 2 bevoorradingen op 3 kilometer. Stoppen was absoluut geen optie meer, en uiteindelijk kwam de atletiekpiste in zicht! Ik had het gehaald, ik had het gedaan! Op een veel betere tijd nog dan ik zelf gedacht had. 3u17 minuten! Astemblieft! Dit had ik zelfs in mijn stoutste dromen niet durven dromen!

Ik ben blij, ik ben trots, ik ben vanalles tegelijk. Het doet toch wel iets met een mens, zoiets. 🙂 Miljaar zeg! Een halve marathon! Ik! Wie had dat ooit kunnen denken!

 

 

 

Gefietst!

Gefietst ja! Eindelijk nog eens. Met de Madammen. Gisteren, zondag dus. Eindelijk! Want ik stelde het alsmaar weer uit, en er kwam ook altijd wel iets tussen. Een looptraining, een trail waar ik van moest bekomen… maar nu had ik geen excuus. Ik had zaterdag een rustige 11 kilometer gelopen, en mijn benen waren daarna nog verrassend fris. Het enige wat nog wel in de weg zat, was een barbecue zaterdagavond. Thuis. Met wat vrienden. En ja, dat liep wat uit. Ik had dat ook vooraf kunnen weten natuurlijk. Om 2u30 rolde ik eindelijk mijn bed in. De wekker deed bijgevolg heel veel zeer zondagochtend. Maar ik had het beloofd, en ik had er best ook wel zin in. Ik zou in ieder geval spijt gehad hebben als ik ook dit keer weer niet zou gegaan zijn.

Want eerlijk? Ik heb het wel gemist. Want fietsen is leuk, en fietsen kan ik. Alleen was het natuurlijk wel weer van de vorige keer geleden dat ik nog gefietst had. Lees vorige keer als in een paar maanden toch weer vrees ik. En fietsen naar het werk, op mijn stadsfiets, dat is toch niet helemaal hetzelfde als met de koersfiets rondsjezen.

Dus ja, ik ging fietsen. Beetje stress toch weer vooraf. Zou ik het nog wel kunnen, dat in- en uitklikken? Wat als dat zou misgaan en ik van dichtbij nog eens met de grond zou kennismaken? Wat als het zou regenen? En waar zijn mijn powerbars? En waarom zijn die vervallen? En mijn helm, waar had ik die gelaten? En zouden die madammen mij nog wel kennen? Ha! Niet onbelangrijk, dat laatste, toch?

Enfin, uiteindelijk kwam alles in zijn plooi terecht, en om 9u stond ik vertrekkensklaar voor een rit van een kilometer of 60. En het was een leuke rit. Wel serieus tegen de wind in, maar je moet er iets voor over hebben zeker? Ik rijd ook altijd aan het staartje. Aan kop rijden en een bepaald tempo aanhouden, daar heb ik het lastig mee. Middenin rijd ik niet graag, ik voel mij dan zo ingesloten, dus rijd ik achteraan. Ook een beetje omdat ik met mijn hoofd in de wolken rijd, want als ik fiets, dan zijn mijn gedachten zowat overal en nergens. “Oh kijk, een vlinder”, waarna ik dan weer in de remmen moet omdat ik niet gezien heb dat de anderen aan het vertragen zijn. Sommige dingen gaan ook nooit veranderen vrees ik.

Wat ook nooit zal veranderen, dat is dat competitief trekje. Dat zit er toch wel, en af en toe manifesteert zich dat dan ook. Gisteren was dat in het bergop rijden. Nu ja, bergop… brug-op. Dezelfde brug als die die ik dagelijks voor het werk op en af rijd, dus ik wou toch ook eens even testen of dat met mijn koersfiets effectief makkelijker is. Want met mijn gewone fiets is dat zuchten en blazen en mezelf doodtrappen en halfdood bovenkomen. Ok ja, niet helemaal halfdood, maar ik voel dan toch dat ik daar wel een inspanning voor moet doen. En  ja, ik weet dat ik ook trager een brug kan oprijden, maar dat lukt mij dus gewoon niet. Op 1 of andere manier moet ik dat gevecht met mezelf en die brug elke keer opnieuw aangaan. 5 dagen per week, 2 keer per dag. Inderdaad.

Gisteren dus ook. We moesten de brug over, en dus zette ik achteraan aan. En ging ik iedereen voorbij. Om bovenaan de brug bij mezelf te denken dat ik eigenlijk ook heel graag naar beneden fiets. Dus dat moest ook nog even. Ik hoorde van ver vanuit de groep ook nog iets roepen wat op “hooligan” leek ofzoiets, maar dat zal ik vast wel verkeerd verstaan hebben. 😉

In ieder geval: het deed deugd, dat fietsen. Voelen dat ik het nog kan, dat ik het nog altijd in de benen heb, ondanks het gebrek aan fietstraining de laatste tijd. Het waren 65 mooie kilometers, met onderweg nog even een cursusje banden vervangen. Ik was stiekem wel blij dat ik het niet was die platgereden was, want dat banden vervangen, ik kan dat niet. Nog niet. Ik moet dat eigenlijk dringend leren. Roep ik al maanden, maar het komt er niet echt van. Maar de dames deden dat perfect, en daarna konden we weer mooi door tot aan het eindpunt. En daar wachtte dan iets lekkers om te drinken. OK ja, meer dan ‘iets’ ook, want ik ben wat blijven hangen. Om 14u30 thuiskomen na een fietsrit, zo overdreven laat is dat toch ook niet hé? 😉

Enfin, ik ben weer zinnens om dat fietsen weer wat meer te gaan doen. Want ik geef toe: fietsen, dat is dikke fun! En het vochtgehalte daarna weer aanvullen ook. 😉

2017-07-30 13.25.16.jpg

 

 

I can(‘t)

Die loopvriendjes… ik weet het niet goed hoor. Jaja, ik zie ze graag. Allemaal. Peinsek. Al ben ik er wel een beetje van aan het terugkomen. Want ze willen allemaal zooooo graag voor mij aan de finish zijn. Of ze pikken mijn idee en willen op een terras gaan zitten. Van die dingen zo allemaal.

En intussen vraag ik mij dan af waar ik mij in hemelsnaam in gestort heb. Daarstraks nog in de kleedkamer, bij dames die al jaaaaaaaaaaaaaren lopen, hoorde ik nog dat hun langste afstand 21 kilometer is. Die heb ik nog niet eens gedaan, neehee, bibi gaat direct voor de 26.

Soms denk ik van: ok, ik ga die kilometertjes de baas kunnen. Het is al zoals iemand mij ook zei: het parcours en de omgeving gaan mij een boost geven. Ik heb ook al even gecheckt. Alle 5 kilometer is er een bevoorrading. Ik kan dus van bevoorrading naar bevoorrading huppelen (as if 😉 ). Telkens 5 kilometer. 5 kilometer, dat kan ik. Dat maal 5, en ik ben bijna aan de aankomst.
Goed… andere denkwijze: 17 kilometer is mijn langste afstand ooit. Nog 4 erbij, en ik heb mijn halve marathon. Dat zou moeten lukken. Die laatste 5 kilometer zullen redelijk zware kilometers worden, dat weet ik nu al, maar mijn loopmaatje – die helaas gekwetst is en niet de volledige afstand kan meedoen –  zou mij tegen dan tegemoet komen, zodat ze met mij die laatste kilometertjes kan meelopen. De laatste kilometertjes zijn ook gewoon bergaf, dat helpt natuurlijk ook.

Uiteraard denk ik ook nog altijd in doemscenario’s. Wat als het mij toch niet lukt? Wat als mijn benen toch besluiten om in pap te transformeren en niet meer meewillen? Wat als, en wat als, en wat als? Ik wéét het gewoon niet.

Toen ik een paar jaar terug absoluut wou leren hardlopen, wou ik gewoon 5 kilometer kunnen doen. Dat kostte mij al moeite genoeg. Die 5 kilometer, dat leek mij toen zoiets magisch. En toen liep ik ze. Niet altijd even gemakkelijk in het begin, maar kijk… ik hield vol, en op een dag liep ik ook 6 kilometer. En 10 kilometer. Met die 10 kilometer kwam hetzelfde verhaal: soms liepen ze makkelijk, andere keren lukte het gewoon totaal niet.

Momenteel loop ik die 10 kilometer best gemakkelijk, en heb ik het lastig met die 16 kilometer. Dus ergens heb ik het gevoel dat die 26 kilometer misschien toch iets te vroeg komt. Dat ik er niet helemaal klaar voor ben.

Langs de andere kant: wanneer ga ik er wél klaar voor zijn? Ik was ook niet klaar voor die 5 kilometer in Bern. En ik was net zomin klaar voor de trail van 16 kilometer in Altenahr vorig jaar. Overigens, die trail van goed 3 weken terug in de Ardennen, ook 16 kilometer, die ging mij al stukken beter af. Dus ja… er is wel progressie. Het lijkt allemaal op dit moment iets makkelijker te gaan dan vroeger.

Maar dat het ooit gemakkelijk wordt, dat is een illusie, daar ben ik inderdaad al achter. Nu ja goed… ik sta ervoor, ik ga er dan ook maar voor. 26 kilometer. Op mijn tempo. En iedereen die voor mij aan de aankomst is: het is jullie gegund! Maar zet daar toch maar al iets fris klaar om te drinken, want ik zal het nodig hebben dan! 😉

I can

 

De halve die 10 mijl werd

Vandaag zou ik mijn laatste duurloop doen voor mijn grote uitdaging van binnen 2 weken. Oorspronkelijk stonden er 21 kilometer op het programma. En ja, daar had ik wat stress voor. Stress, gezien het weer, maar ook stress, omdat ik mezelf ken. De recuperatie van de trail van 2 weken terug, die bedroeg ongeveer 2 weken. En binnen 2 weken moet ik wél er staan voor mijn volle 26 kilometer.

Ik wist het dus niet goed. Ik had al wat zitten pingpongen met een vriendin, die met mij die 21 kilometer wel wou lopen, maar ik had toch wel wat voorbehoud. Ik wist het niet, het voelde niet goed. Ik twijfelde zelf of 21 kilometer op dit moment wel een goed idee was.
Uiteindelijk trok het bericht van een vriend mij over de streep. Het ding met goede vrienden is dat zij weten hoe jij in elkaar steekt natuurlijk. Daarom zijn het ook goede vrienden. Dus ja.. in dat bericht stond hetzelfde wat ik al dacht. Dat ik misschien best mijn duurloop zou beperkten tot 2u, 2u15, en de 21 kilometer momenteel beter zou laten voor wat het is. Dat het belangrijker is dat ik binnen 2 weken uitgerust en fris aan de start sta van die grote uitdaging.

Mjah… de ene persoon is natuurlijk de andere niet. Ik heb al gemerkt dat mijn spieren en pezen, en dan heb ik het nog niet over mijn longen, het best lastig hebben met al die verhoogde sportactiviteiten. Ik mag natuurlijk ook niet vergeten waar ik vandaan kom, zo amper 3 jaar terug. Ik kan dan wel jaloers zitten kijken naar mensen die op hun gemak 20 kilometer lopen op net geen 2u tijd, feit is dat ik qua lopen al blij mag zijn dat ik dat kan, maar feit is ook dat ik voor 20 kilometer ongeveer 3u nodig heb, en daarna ook de nodige recup moet inbouwen. En 2 halve marathons op 2 weken tijd is waarschijnlijk inderdaad voor mij wat teveel van het goede.

Dus ja, wat gepieker en wat getob, maar uiteindelijk besliste ik vanochtend dan toch, ook gezien de temperatuur en de geweldige stralende zon, voor een duurloop van 2u te gaan. Op het gemak. Ik zou mijn tempo in het oog houden -traag, trager, traagst -, en de drinkbus stond ook al klaar. Dus geen duurloop richting weetikveelwaar in de zon, maar een duurloop met misschien in het eerste uur wat zon, maar in het tweede uur zeker in de koelte van de bomen.

2u lopen. Dat kan ik. Het windje onderweg deed deugd. De zon niet. Die brandde eigenlijk al harder dan ik gedacht had dat ze zou doen. Blegh. Dat eerste uur was dus eigenlijk al een beproeving op zich. Ik snakte naar wat schaduw, en kortte dus het eerste stuk in zodat ik wat sneller kon drinken. Daarna besloot ik om rondjes te gaan lopen in de schaduw. Saai, maar wel verstandig. Mijn fles stond geparkeerd achter een boom, en na elk rondje verplichtte ik mezelf om te drinken.

Toen eindelijk de 2u rond waren, bedacht ik dat ik best wel die 10 mijl kon rondmaken. 16 kilometer werden het, maar toen was het ook echt wel op. Ik was oververhit, mijn benen deden zeer, en ik had dringend behoefte aan wat suikers. Stom natuurlijk, ik had die druivensuiker gewoon moeten meenemen.

Ik telde het ook even uit. Een halve marathon is nog 5 kilometer verder. Voor mij dus nog 40 minuten lopen. Dat is overzienbaar. Alleen niet vandaag, het was echt gewoon genoeg geweest. Echter, ik moet dus bovenop die 5 kilometer richting halve marathon nog een keer 5 kilometer extra doen. En ja, daar maak ik mij toch wel zorgen over. Want ik weet het gewoon niet. Ben ik er klaar voor, voor die 26 kilometer? Geen idee. Ik ben niet verder geraakt dan 17 kilometer, en een laatste duurloop van 16 kilometer. Ik had voor mijn eigen gemoedsrust heel graag 1 keer die 21 kilometer gedaan, omdat het daarna toch ‘maar’ 5 kilometer extra meer is, en geen 10, maar de omstandigheden hebben het anders beslist. Vandaag was het gewoon te warm, en een paar weken terug was daar een soort van misverstand. Beetje stom, maar toch… het had mij wel een beter gevoel gegeven als ik toen die 21 kilometer al zou gelopen hebben dan de struggle met die 16 kilometer van vandaag.

Ik weet het dus gewoon niet. De bedoeling was om vandaag alle twijfels weg te hebben, en er klaar voor te zijn… in de praktijk heb ik nu nog meer twijfels dan ervoor. Twijfels of ik wel aan die 26 kilometer moet beginnen, twijfels of ik er wel klaar voor ben. Ik denk dat ik beter gewoon op dat terras ga zitten met een koffietje erbij. Supporteren, dat kan ik immers zeker! En dat is ook stukken minder vermoeiend.

you can do it coffee.jpg

 

 

 

Een duurloop van 21K

Als laatste voorbereiding op mijn 26 kilometer van binnenkort, moet ik nog 1 laatste duurloop doen. Eentje van 21 kilometer. Pies of keek, toch?

De eerlijkheid gebied mij eigenlijk toe te geven dat ik er pokkenerveus voor ben. Want wat als ik die 21 kilometer niet kan? Wat als het mij niet lukt om ze helemaal uit te lopen? Wat dan met die 26 kilometer binnenkort?

Ik was nochtans besluitvaardig. 21 juli dat zou de perfecte dag zijn om 21 kilometer te gaan lopen. Intussen voel ik dat ik aan het terugkrabbelen ben. Want donderdagavond moet ik nog naar een feestje, en ben ik dan wel op tijd thuis om vrijdagochtend vroeg op te staan en die 21 kilometer de baas te kunnen? Later op de dag lopen is geen optie lijkt mij, gezien ze toch weer een 24° voorspellen. Dat is voor mij veel te heet om een paar uur te gaan lopen. Dus het moet in de ochtend, want ’s avonds staat er alweer iets anders op het programma.

Zaterdag dan misschien? Maar zaterdag zouden we ook naar het containerpark, en we moeten nog eens gaan kijken voor een nieuwe koelkast, en en en….

Aaargh! Een vriendin bood ook al aan om samen te lopen. Alleen heb ik het gevoel dat ik het niet geregeld krijg. Wegens bovenstaande redenen allemaal. Excuses, excuses, ik weet het. Ook mijn man wilt gerust een stukje meelopen, ondanks zijn knieproblemen. Ik denk alleen dat het niet zo’n geweldig idee is voor hem, want hem wacht al een operatie aan de knie.

Dus ja… ik zit te twijfelen, ik zit te aarzelen, ik zit weer met een paar hersenen in overdrive. Maar ik moet ze wel gaan lopen, die 21 kilometer. Een hele halve marathon. Voor de eerste keer in mijn leven. Mijn eigen keuze dan nog, niemand dwingt mij om die dingen allemaal te doen. Alleen is de stap om iets te gaan doen wat ik nog nooit gedaan heb elke keer opnieuw een heel grote stap. Ik denk ook nog altijd dat ik het niet ga kunnen. Dat is zoals ik in mijn hoofd nog altijd een hele grote kledingmaat heb.

Maar er is geen weg terug. Ik moet ze lopen. Want anders ga ik heel erg teleurgesteld zijn in mezelf. Dus ja: dit weekend, vrijdag of zaterdag, loop ik een halve marathon. One way or another.