Categorie archief: fietsen

Naar Scherpenheuvel

Laat ons eens vroom doen, dachten de Fietsmadammen. Het wordt mooi weer, dus laat ons eens naar Scherpenheuvel fietsen.
Scherpenheuvel dus. Ik ben daar natuurlijk al wel eens geweest. Met de auto dan. Elk jaar, de laatste zaterdag van april, ga ik daar onze wandelaars oppikken. Naar jaarlijkse traditie wandelen die wandelaars die eigenlijk lopers zijn dan met enkele vrienden de 45 kilometer naar daar. Mijn rol bestaat er gewoon in daar op tijd te zijn, een keer over de markt te struinen – kwestie van de laatste modetrends mee te krijgen – en verder wat mee op het terras te hangen. Er zijn ergere dingen in het leven.

Maar nu was het dus met de fiets te doen. Ik had er nog niet heel erg bij stilgestaan, maar Scherpenheuvel, dat zegt op zich natuurlijk al wel iets. Heuvel. Dat is bergop. Ik fiets niet graag bergop. Dat is vermoeiend. Dat idee, alweer! En goed, dat het op een heuvel ligt ja, maar ik wist niet dat er voorafgaand aan die heuvel nog heuveltjes zouden zijn. Heuveltjes ja, want uiteindelijk was er niets bij wat ik niet aankon. En plus! Ik kon zelfs schakelen naar een kleiner blad, en tot mijn verrassing fietst dat dus nog makkelijker naar boven! The sky… inderdaad, maar toch maar niet. Die Ventoux, no f*cking way!

’t Was mooi weer, maar het seizoen in Scherpenheuvel was blijkbaar al wel gedaan. Er was wel wat volk, maar de massa die ik ken van in het voorjaar absoluut niet. Er mag nu ook gefietst worden in het straatje richting Basiliek. Jawel mevrouw met het hondje en de man, dat mag nu inderdaad weer wel!
Die Basiliek overigens… daar kan je je fiets laten wijden. Er zit daar een pastoor 2u in de voormiddag en 2u in de namiddag in een containerke, te wachten op bedevaarders die fiets of auto of dergelijke willen laten wijden. Ja, weet ik veel! Ik had dit nog nooit meegemaakt. Hij zegt dan een gebed, en het volgende moment sta je zowat onder de douche. De ene al wat meer dan de andere, ik was blij dat ik aan de zijkant stond. In het midden was het écht nattigheid troef. ’t Is niet echt mijn cup of tea (het zou ook koude thee zijn dan), maar bon…  Na het obligate kaarsje branden (diegenen die het kunnen gebruiken moeten maar denken dat het voor hen was), gingen we dan aan tafel. Nadat we eerst netjes onze fietsen in een garage geparkeerd hadden, dat was wel supergoed geregeld.
Kip met groenten, perfecte sportvoeding, en een koffie en een cola astemblieft. Ik kon er weer tegen. Dat ik ook nog een fotootje van de abdij wou, dat was wel lastig. Want met klikschoenen over kasseien stappen is wel miserie. Ik ben dus maar op mijn sokken gegaan. Hetzelfde verhaal voor de toiletstop. Met klikschoenen de trap af en op… ik dacht het niet neen! Het leverde mij wel wat vreemde blikken op, maar zo hebben mensen weer iets om over te praten. 😉

De terugweg ging via Averbode en de lekstraat. Die dreef waar de crémekarrekes staan, inderdaad. Jammer voor mij (ik eet al weleens graag een ijsje) reden we vlotjes die karrekes voorbij. De andere terrasjes die we passeerden zaten overal stampensvol, en dus reden we gezwind over de dijken terug huiswaarts. Waar we 110 kilometer later weer veilig aankwamen.

Eigenlijk zou ik nu moeten afsluiten met iets vrooms. Maar ik ben niet zo vroom peinsek. Dus dat laat ik maar zo. Een paar sfeerbeelden, die kunnen gelukkig wel! 😉

 

Advertenties

Ges(c)hift

Potverdekke hé. Ik ben toch zo vatbaar voor sommige zaken. En neen, geen ziektes. Hoewel. Zo van die oorwurmen die maar de hele dag door mijn hoofd blijven malen, is dat ook niet een soort van ziekte? Ik ben uiterst vatbaar daarvoor. Geen idee hoe dat komt.

Nu, dat de Rick met regelmaat door mijn hoofd galmt (galmen ja, er is daar veel plaats – ik dacht, ik zeg het maar zelf), dat is allang geen geheim. Ik word ook gewoon vrolijk van zijn feel-good liedjes, dus daar heb ik ook totaal geen probleem mee. Ik zeg het nog eens: de Rick, die ruled zo hard!

Neen, dan zijn er andere muziekjes. Die letterlijk galmen. Afgelopen zondag bijvoorbeeld. We gingen heuveltjes rijden met de fiets. En ik rijd niet graag bergop. De Fietsmadammen hebben het geweten, want ik heb een stukske afgezaagd. Nee zeker! Bergop fietsen, dat is wél een tandje bijsteken. Of eigenlijk net geen tandje bijsteken, want het zou gemakkelijker zijn op een tandje minder. Maar het is wel moe worden. En dat is vooral toch net iets harder moeten trappen, want vanzelf rijdt zo’n fiets niet bergop, ook niet als het een heuvel is. Nu goed… ik trap altijd op mijn groot blad (een groot blad bij een groot blad, jullie snappen het wel), maar ik geraak daar ook wel mee boven. Maar ik wou ook eens zoals de anderen doen, klein trappen, tandje minder schakelen. Misschien dat het mij dan ook wat gemakkelijker zou afgaan. Nu goed… nog gemakkelijker dan, want ik kan niet zeggen dat ik het lastig heb om die trappers bergop op die grote versnelling rond te krijgen. En bon ja, jullie kennen mij intussen ook al wel: het is ook trappen om te hébben. Om met de eersten mee boven te zijn. Ja, ik weet het. Maar zo zit ik nu eenmaal in mekaar. En hey… misschien zou ik op dat kleinere blad nog sneller boven geraken. Je weet het niet voordat je het probeert hé.

Ik wou dus kleiner schakelen. Naar mijn middenblad. Ik heb er zo 3 ja. Keigoede fiets, ik zei het al. Alleen…  mijn shifter wou niet mee. Stom ding. Waarschijnlijk omdat ik hem toch nooit gebruik, zei hij nu ook ‘foert’. Geef het ding maar eens ongelijk. Dus ja, er zat niets anders op, ik moest op dat groot blad naar boven blijven rijden. En ja, zagen en blijven zagen, dat dus ook. Zagen als in “hoeveel bergen komen er nog?” en “zijn we er nog niet?” Nu… de Madammen kennen mij natuurlijk ook al, dus het glijdt wel van hen af. Anders zou ik het ook niet doen natuurlijk.

Maar… en ik ga uiteindelijk bij dat punt geraken waar ik wou zijn, zo bergop fietsende op dat groot blad… toen zat ik ineens in mijn hoofd met “the hiiiiiiills aaaaare aaaaalaaaaaif, with the sound of muuuuuuuuuuuuuuuuusic”. Ik zei het al, ik heb niet veel nodig. Ik wou de miserie ook nog delen met de dames, maar bedacht tijdig dat ik al aan het zagen was, dat ik daar niet ook nog een erreke moest bovenop doen. Ik kan trouwens niet zingen, dus het zou dubbelop zagen geworden zijn.

Maar dat is dus wél 2 dagen in mijn hoofd blijven zitten, die hills. Tot gisteren dan. Toen had iemand het over een Duits zangeresje, Sandra. Jullie kennen haar misschien nog wel. Inderdaad ja, die van dat hitje midden jaren 80, “Maria Magdalena”. Het vervolg laat zich raden zeker? Al een godganse dag zit ik met dat ge’mariamagdalena in mijn hoofd. Zucht en dubbelzucht en driedubbelzucht. 1 woord, en ik ben weer vertrokken. De heeeeeeele dag al. En nu nog steeds. De hills zijn nu wel weg, krijg ik dit weer. Mijn dank aan de aanstoker is zooooooooo groot. Hmpf. Geschift, dat is het eigenlijk wel, dat oorwurmengedoe.

Maar in tegenstelling tot afgelopen zondag, wil ik het nu wel delen. Ik zei het ooit al: gedeelde smart, dat is halve smart. ’t Zal wel zijn! En het is ook graag gedaan en zo vanal.

Sven Nys

Omdat er nu eenmaal een doel moet zijn om naartoe te fietsen, fietsten we vandaag naar het Sven Nys Center in Baal. En ook weer terug.

Niet dat dat zo’n verkeerde keuze is trouwens. De route ernaartoe is echt heel erg mooi. Via de Leuvense Vaart richting Werchter, om daar via de Demerdijk verder te rijden. Mooi mooi mooi! Maar ook druk druk druk! De autosnelweg voor wielertoeristen, zo lijkt het wel. Maar plezant rijden, dat wel. Groepen die ons voorbijrijden en luid goedemorgen zeggen, dat zijn de leukste. Ze zijn niet allemaal zo. Die 3 mannen die we inhaalden bijvoorbeeld, die vonden dat eigenlijk niet zo plezant. Maar hey, we zaten in een flow, een flow van 30km/u, en dan moeten wij wel even doorflowen!

Eens aan het Sven Nys-center werd de Sven erbij gehaald. Hij verbleekte zowaar, met zoveel sportieve madammen rond hem.
Daarna hebben we hem wel netjes terug binnen gezet, zo zijn we ook wel.

image1.png

Wat verder passeerden we aan de Bike Store van Niels Albert. Eigenlijk was ik liever met de Niels op de foto gegaan. De fietsmadam naast mij dacht er precies hetzelfde over, maar de Niels was er niet. Winkel dicht. Door dus, onderweg de ogen de kost gevend. Want eerlijk, je komt toch wat tegen, zo op een fietstochtje. Dit keer kwamen we nog eens lang het huis met de lelijke gordijnen en de verschrikkelijke Chinese vazen. Smaak en goesting, ik weet het. Maar ik herkende het van een vorige rit. Ik herkende zelfs wel meer dingen, dus misschien komt dat uiteindelijk nog weleens goed met mij en die fietsroutes. Hoewel… 1 lelijk huis maakt de fietstocht niet natuurlijk.

Enfin, uiteindelijk kwamen we uit op een mooie 65 fietskilometers, een mooie zondagse rit dus. En, niet onbelangrijk (vind ik toch, ik weet dat niet iedereen er zo over denkt), aan een erg mooi tempo van gemiddeld 25km/u alweer. Geef ons nog efkes, nog een paar mooie maanden, en dan stijgt die gemiddelde snelheid nog wel wat.  Of zoals ik al eerder zei tegen iemand de vorige rit: “soms moet je uit je comfortzone komen om progressie te kunnen maken”.  Dat diezelfde woorden amper 2 dagen later als een boemerang terug richting mij kwamen, daar kom ik nog weleens op terug. 😀

Het zweet des aanschijns

Dat fietsen naar het werk, dat zal wel gezond zijn, daddis. Dat fietsen terug naar huis uiteraard ook.
Alleen… ik heb toch nog altijd wat maars.

De eerste grote maar, dat is nog altijd de brug. De brug over de autosnelweg. Het ziet er uit als iets van niks, maar elke keer weer vervloek ik die brug. Elke keer weer trap ik in de val, en elke keer weer trap ik mij helemaal in de verzuring. De val ja, de “ikmoetrapbovenzijndanbenikervanaf”-val. Ik weet het, ik doe het mezelf aan, maar, en ik weet niet of dit een goed excuus is, ik kan niet anders. Ik heb het al geprobeerd, trager naar boven fietsen. Dan start ik traag, en dan rijdt daar ineens iemand halverwege op de brug. Zo iemand waarvan je denkt: “misschien moet ik die persoon maar eens laten zien dat je ook wat vlotter zo’n brug op kan”. En hups, daar ga ik dan weer. En dan trap ik in de “ikmoetdiemenstochefkesinhalen”-val.

Ik heb geen idee waarom dat competitiebeestje in mezelf zo bovengehaald wordt op die toch wel korte ritjes. Sta ik aan het licht te wachten met wat andere fietsers, dan moet en dan zal ik als eerste weg zijn als het licht op groen springt. Of de brug. Ha, de brug. Die over de vaart. Helemaal vooraan gaan staan, en dan een sprintje trekken zodra de brug weer open is om toch maar eerst over te zijn.

Echt, ik word soms zot van mezelf!

En ja, dan ben ik bijna aan het werk, en denk ik van: we zijn er weer bijna… rijdt er daar voor mij iemand op een gemotoriseerde plooifiets. Zo eentje met een batterij ja. Een collega, dat ook. Het fietspad is daar maar smal, en het is daar ook redelijk druk qua autoverkeer, dus hing ik eerst wat in zijn wiel, maar dan toch… zelfs met nog een paar metertjes te rijden, moet en zal ik hem nog even voorbij rijden. Ja, ik moet. En ik zal. Recht op mijn trappers ook als het moet.

Nochtans, ik rijd maar op mijn gewone stadsfiets naar het werk. Chance dat het een goede is, of hij had allang de pijp aan Maarten gegeven. Of de kader toch. Op zijn minst een band! Een ventiel!

Gezien ik op het werk eerst mijn douchespulletjes moet gaan halen onder mijn bureau (jeps don’t ask!), moet ik eerst 4 hoog. Met de trap. Uhu. Ik kan toch niet eerst sportief doen en met de fiets naar het werk rijden om vervolgens met de lift naar boven te gaan? En dan komt die tweede maar. Want dan kom je zo wel wat frisgewassen collega’s tegen zo van en naar. Dat ruik ik. Die ruiken fris, die zien er al fris uit. En dan heb je mij. Bezweet, in sportkleding. Vanochtend merkte een collega op “dat ik precies al goed gesport had”. Ik heb maar ja gezegd, en gezwegen over die amper 6 kilometer die ik gefietst had. Want zelfs op die korte afstand slaag ik er toch in mij volledig in het zweet te rijden. En dan zie ik onderweg mensen okselfris met hun kantoorkleding richting werk rijden. Ik snap dat niet. Hoe doen die dat? Als ik dat zou doen, stink ik de rest van de dag. Mijn kids zeggen nu soms al, als ik van het werk thuis kom, dat ik dringend moet gaan douchen.

Speaking of… ik heb dat nog niet gedaan, dat douchen. Douchen dus, en wel nu! Da’s pas een plan! Evenals dat verjaardagsfiestje sebiet in het mooie Oljst.  Ik heb toch wat caloriekes verbrandt met dat fietsen, dus het kan! Les excuses… inderdaad ja! 🙂 Ik wist wel dat dat fietsen voor iets goed is! 😉

PS: te snel willen posten is nooit goed, zo blijkt; Want ik ben een ‘maar’ vergeten. De ‘maar’ van “maardietegenwindookaltijd”. Pffffff…. trappen en niet vooruit geraken, zo lijkt het wel. Meewind, het zou begot ne keer plezant zijn!

wheelie love.jpg

Met vier naar Lier

“Schrijf daar maar eens een stukje over”, aldus een Fietsmadam. En eigenlijk, waarom ook niet? Want die Fietsmadam, die had zichzelf toch wel overtroffen vandaag, in wat volgens haar haar snelste rit ooit is.

We waren maar met 4 – het is vakantieperiode voor iets – en we reden een route die we wel meer rijden. Nu, ’t is te zeggen… ik zou de route moeten kennen, maar feit is dat ik eigenlijk niet zo geweldig ben in het onthouden van die fietsroutes. Als ik alleen rijd, kies ik dan ook op veilig: richting kanaal, en dan naast het kanaal naar Leuven, en weer terug. Oftewel langs de Zenne- en Rupeldijk richting Willebroek, en – inderdaad – van daaruit ook weer dezelfde weg terug. Ik ben daarom ook altijd content dat andere Madammen wél leuke routes uitzoeken om te rijden. Zo kom ik ook nog eens ergens. 🙂

Deze route, die gaat via de Zenne naar de Nete en dan zo door naar Lier. Lier, de stad van de Zimmertoren. Ik was er deze week al vlakbij geweest, zo wou iemand mij toch doen geloven, maar zo goedgelovig ben ik dan ook weer niet.

Lier dus. Met vier. Er waren maar 2 mogelijkheden: of ik reed achteraan, of ik trok (mee) de kop. Feit is: ik had goede benen. Kwestie van het goede paar te kiezen ’s ochtends natuurlijk. Dat, en ik heb natuurlijk ook nog maar net een goede hoogtestage achter de rug. Dus die goede benen, die draaiden nogal goed op mijn fiets. Aan de kop, want goed ja, ik kan dat eigenlijk wel. Ik ben wel erg slecht in tempo houden, dus ik ga meestal veel te snel.  En ja, dan moet de rest mee in dat tempo. ’t Is te zeggen, ze moeten niet mee, maar ze gingen wel mee. Ik heb een paar keer gevraagd of het niet wat trager moest, maar neen, dat moest niet. Knap. Rijden op karakter, totaal uit de comfortzone.

Mijn enige probleem is eigenlijk dat mijn voet, de rechter meestal, gaat ‘slapen’ als ik te lang ingeklikt zit. Ik heb voorlopig geen idee wat ik daaraan kan doen, behalve dan af en toe stoppen om hem even uit te klikken. Het is namelijk de voet die altijd ingeklikt blijft, want ik klik links uit aan oversteekplaatsen enzo.

Maar bon, die comfortzone, daar gingen we dus los door. Het tempo bleef losjes rond de 27 à 28km/u hangen, en ik heb uiteraard ook nog even geprobeerd of het nog hoger kon. En ja, dat kon nog, maar daarna waren de benen wel choco. Ook de mijne ja, aan 33km/u. Blijkbaar dachten sommige Fietsmadammen eerder ook dat ik een soort van motortje in mijn frame zitten had, omdat dat fietsen zo “gemakkelijk” lijkt bij mij. Ha! Fijn dat zij vinden dat het zo gemakkelijk lijkt, ikzelf voel het toch ook wel. Zeker na het kopwerk tegen de wind in, dat laat zich toch wel flink in de benen voelen. Dat, plus dat de rit van vrijdag natuurlijk ook nog in de benen zat.

Evengoed: net geen 65km totaal aan een gemiddelde van 24,5km/u! Superknap gereden van ons vind ik dat. Het drankje na de rit was dan ook weer geweldig verdiend. Dat is als je geld mee hebt natuurlijk, om dat drankje te betalen. Ik wist vanochtend toen ik de deur dicht trok dat ik toch iets vergeten was, maar ik kwam er zo 1-2-3 niet op. Dat probleem werd netjes opgelost, want de dames betaalden mijn drankje voor het geleverde kopwerk. Ik ga daar nog mee meerijden, met die Madammen!

De kaderkat

Zo. De Ottonenlauf is achter de rug, de looptrainingsschema’s mogen weer even de kast in, tijd voor die andere hobby. Fietsen. Ik heb dat fietsen wat verwaarloosd de afgelopen maanden, ik geef dat grif toe. Ik heb zelfs mijn fiets wat verwaarloosd, het slijk van een rit van een paar maanden terug hangt er nog altijd aan.

Ik was eigenlijk zinnens om deze week nog wat te bekomen van alle sportieve inspanningen van de afgelopen week, en dan weer de fiets op te stappen. Kwestie van ook alle Fietsmadammen de kans te geven terug uit vakantie te komen, enzo. En ook kwestie van mijn spieren wat rust te gunnen. Want ik heb het even uitgeteld, wat ik zo op een week tijd gedaan heb. Wandelen (en over de rotsen klauteren) en lopen samen kom ik toch algauw op ongeveer 90 kilometer totaal.

DSC02709.JPG

Negentig zeg! Ik! Halloooowwww! Geen wonder dat mijn spieren wat rust kunnen gebruiken, dacht ik zo. Dat denken, ik moet dat niet meer doen. Want toen een vriend vroeg om vandaag te gaan fietsen, zei ik zomaar onnadenkend gewoon “ja”.

Vanochtend om 9u30, fietsen dus. Ik zag het zitten. Dat was tot we ongeveer 10 kilometer gereden hadden en mijn ketting ging ratelen. Oepsie. Uitklikken (ha!) en stoppen dus maar. Na een kort nazicht bleek er niets aan de hand, en kreeg ik als tip dat ik niet zo laag moet schakelen. Dat lager rijden wel eleganter is, maar dat ik met al die kracht in mijn benen dat eigenlijk niet nodig heb. Ja goed, zo kan je het ook omschrijven dus. Door dus, maar dan niet-elegant!

rechtslinksDat klikken is en blijft anders wel een dingetje. Ik vergeet nu niet meer dat ik aan mijn fiets vasthang, maar ik klik mij toch graag ruim op tijd uit. Wat lastig is, als je met iemand meerijdt die last-minute beslist hoe we gaan rijden. “Hier naar rechts”, waarna hij links inrijdt. Iewww! De stress!

 

En toen moest de kaderkat nog komen! De kaderkat ja! Zo’n gevlekte tijger die plots uit de haag naast mijn fiets sprong, en die denk ik door het kader van mijn fiets gesprongen is. Het kan bijna niet anders. Een soort van tover-kaderkat dus. Die kat en ik, wij konden elkaar eigenlijk niet meer ontwijken, en toch heb ik ze niet geraakt. En zij mij niet. Een gelukje, anders had mijn fietspartner mij van de betondallen mogen schrapen. Zoiets.

Die betondallen trouwens op die fietspaden, dat is toch ook wat. Maar ik ga dit keer niet zagen over de slechte fietspaden. Of toch, misschien nog over dat ene scheve fietspad. Als het wat regent schuif je daar zo naar beneden. Gelukkig regende het niet. Alweer een gelukje! Zoveel gelukjes dit keer zeg. Er was ook nog het gelukje van de fietspartner die wél een lekkere koek voor onderweg bij had (en die ook wou delen) in plaats van die droge rommel die ik zelf mee had? Wawasdazeg, nooit meer!

4578b7a09c4a91c76599eb98b6a64ab5Enfin, we hebben een stuk van de Dodentocht gereden, het was ook al pokkedruk in Bornem. We hebben ook een wijk “ontdekt” (inderdaad, “kom, we rijden hier rechts in 😀 “) waar alle straten vogelnamen hebben, en waar een raar huis staat dat bestaat uit een schoorsteen met wat bakstenen rond, we hebben ook Temse zien liggen, en de brug. Hulst zal voor een andere keer zijn, want er moest vandaag ook nog in de tuin gewerkt worden.

Maar zo’n rit, dat brengt dus wel wat op. Ik kan blijkbaar ook meer dan ik dacht. Alweer. Want ik had nooit gedacht dat ik 75 kilometer aan gemiddeld 25km/u kon rijden. Mijn benen laten zich nu wel voelen, maar dat mag ook vermoed ik. In ieder geval: ik denk dat ik nog wat reserve heb, alles kan nog altijd beter. En dat is wel een heel fijn gevoel. Weer een gelukje. Soms kan het gewoon niet op!

Gefietst!

Gefietst ja! Eindelijk nog eens. Met de Madammen. Gisteren, zondag dus. Eindelijk! Want ik stelde het alsmaar weer uit, en er kwam ook altijd wel iets tussen. Een looptraining, een trail waar ik van moest bekomen… maar nu had ik geen excuus. Ik had zaterdag een rustige 11 kilometer gelopen, en mijn benen waren daarna nog verrassend fris. Het enige wat nog wel in de weg zat, was een barbecue zaterdagavond. Thuis. Met wat vrienden. En ja, dat liep wat uit. Ik had dat ook vooraf kunnen weten natuurlijk. Om 2u30 rolde ik eindelijk mijn bed in. De wekker deed bijgevolg heel veel zeer zondagochtend. Maar ik had het beloofd, en ik had er best ook wel zin in. Ik zou in ieder geval spijt gehad hebben als ik ook dit keer weer niet zou gegaan zijn.

Want eerlijk? Ik heb het wel gemist. Want fietsen is leuk, en fietsen kan ik. Alleen was het natuurlijk wel weer van de vorige keer geleden dat ik nog gefietst had. Lees vorige keer als in een paar maanden toch weer vrees ik. En fietsen naar het werk, op mijn stadsfiets, dat is toch niet helemaal hetzelfde als met de koersfiets rondsjezen.

Dus ja, ik ging fietsen. Beetje stress toch weer vooraf. Zou ik het nog wel kunnen, dat in- en uitklikken? Wat als dat zou misgaan en ik van dichtbij nog eens met de grond zou kennismaken? Wat als het zou regenen? En waar zijn mijn powerbars? En waarom zijn die vervallen? En mijn helm, waar had ik die gelaten? En zouden die madammen mij nog wel kennen? Ha! Niet onbelangrijk, dat laatste, toch?

Enfin, uiteindelijk kwam alles in zijn plooi terecht, en om 9u stond ik vertrekkensklaar voor een rit van een kilometer of 60. En het was een leuke rit. Wel serieus tegen de wind in, maar je moet er iets voor over hebben zeker? Ik rijd ook altijd aan het staartje. Aan kop rijden en een bepaald tempo aanhouden, daar heb ik het lastig mee. Middenin rijd ik niet graag, ik voel mij dan zo ingesloten, dus rijd ik achteraan. Ook een beetje omdat ik met mijn hoofd in de wolken rijd, want als ik fiets, dan zijn mijn gedachten zowat overal en nergens. “Oh kijk, een vlinder”, waarna ik dan weer in de remmen moet omdat ik niet gezien heb dat de anderen aan het vertragen zijn. Sommige dingen gaan ook nooit veranderen vrees ik.

Wat ook nooit zal veranderen, dat is dat competitief trekje. Dat zit er toch wel, en af en toe manifesteert zich dat dan ook. Gisteren was dat in het bergop rijden. Nu ja, bergop… brug-op. Dezelfde brug als die die ik dagelijks voor het werk op en af rijd, dus ik wou toch ook eens even testen of dat met mijn koersfiets effectief makkelijker is. Want met mijn gewone fiets is dat zuchten en blazen en mezelf doodtrappen en halfdood bovenkomen. Ok ja, niet helemaal halfdood, maar ik voel dan toch dat ik daar wel een inspanning voor moet doen. En  ja, ik weet dat ik ook trager een brug kan oprijden, maar dat lukt mij dus gewoon niet. Op 1 of andere manier moet ik dat gevecht met mezelf en die brug elke keer opnieuw aangaan. 5 dagen per week, 2 keer per dag. Inderdaad.

Gisteren dus ook. We moesten de brug over, en dus zette ik achteraan aan. En ging ik iedereen voorbij. Om bovenaan de brug bij mezelf te denken dat ik eigenlijk ook heel graag naar beneden fiets. Dus dat moest ook nog even. Ik hoorde van ver vanuit de groep ook nog iets roepen wat op “hooligan” leek ofzoiets, maar dat zal ik vast wel verkeerd verstaan hebben. 😉

In ieder geval: het deed deugd, dat fietsen. Voelen dat ik het nog kan, dat ik het nog altijd in de benen heb, ondanks het gebrek aan fietstraining de laatste tijd. Het waren 65 mooie kilometers, met onderweg nog even een cursusje banden vervangen. Ik was stiekem wel blij dat ik het niet was die platgereden was, want dat banden vervangen, ik kan dat niet. Nog niet. Ik moet dat eigenlijk dringend leren. Roep ik al maanden, maar het komt er niet echt van. Maar de dames deden dat perfect, en daarna konden we weer mooi door tot aan het eindpunt. En daar wachtte dan iets lekkers om te drinken. OK ja, meer dan ‘iets’ ook, want ik ben wat blijven hangen. Om 14u30 thuiskomen na een fietsrit, zo overdreven laat is dat toch ook niet hé? 😉

Enfin, ik ben weer zinnens om dat fietsen weer wat meer te gaan doen. Want ik geef toe: fietsen, dat is dikke fun! En het vochtgehalte daarna weer aanvullen ook. 😉

2017-07-30 13.25.16.jpg