Auteursarchief: Sandra

Over Sandra

Wie ben ik, wat doe ik, en waarom? Het zijn vragen die ook mij bezighouden. In het kort: Muziekgek. Sport-addict. Leesjunk. Open boek. Wysiwyg. Of eigenlijk: what you read is what you get. ;)

Lafôret, fietsweekend dag 3

7u, wat een pokkeherrie, die GSM. Zaterdag! Fietsdag! Heb ik ergens pijn? Neen, eigenlijk niet. Niet eens een spier die wat stijf is. Verrassend eigenlijk. Op naar dag 3 dus maar. Wel een beetje frisjes buiten. Frisjes? Zeg maar koud. OK, wat aan te trekken? Zweethemdje, check. Shirt met lange mouwen, check. Clubtruitje, check. En windjasje, check. Zo zal het wel volstaan. Hopelijk.

En wij dus weer weg, na het ontbijt. De ene al wat enthousiaster en met meer goesting dan de andere. Ikku niet. Eens op de fiets is vertrokken en blijven gaan. Bergop of niet.

Ik herinner mij dat we weer op die lastige niet niet vlakke weg van de dag ervoor reden. Zelfde scenario, vlak gaat ok, maar bij het minste bergop is de groep mij kwijt. Damn. Dat is toch echt wel een verbeterpuntje, dat kan en moet gewoon beter.
Vooraf hadden we besproken dat als het echt te lastig werd, we een stuk zouden afsnijden. Eenmaal op dat punt gekomen werd er toch beslist om het lusje erbij te rijden. We waren nu toch aan het rijden, het zou wel lukken.

Misschien moeten we in de toekomst de routes ook beter checken, want anders waren we de Tour de Millénaire helemaal mislopen. De Tour de Millénaire, dat is een uitzichtspunt in Gédinne op het hoogste punt van de provincie Namen (de Croix Scaille, 505m). Er zijn 3 plateaus: 15 meter, 30 meter en 45 meter. En daar stonden we dus naar te kijken, en dacht ik: ik wil naar boven. Een deel besloot dat het voor hen niet nodig was, en dus hadden we gelijk “oppas” voor de fietsen. Op naar boven, weer klimmen. Met klikschoenen niet zo evident, maar op sokken lukt dat dus ook. Ha! En inderdaad, het uitzichtspunt boven was schitterend. De hele vallei van de Semois in alle richtingen. Groen, groen, alles groen. Daar mag je mij dus altijd voor wakker maken, voor dergelijke dingen.

Naar beneden op sokken was iets minder evident dan ik dacht, maar goed… ook dat lukte. Alleen jammer dat er geen koffiehuisje ofzo was, want daar was ik intussen wel aan toe. Een slok uit de drinkbus dan maar, en een hap peperkoek erbij. Ook dat is wel lekker als er niets anders beschikbaar is.

Uiteindelijk vonden we toch een terrasje dat open was. Eigenlijk het enige wat we op de hele tour tegenkwamen. Na het terrasje reden we nog een rondje rond de kerk (iets met een gps die de verkeerde afslag aangaf, eigenlijk best wel hilarisch) om dan onze weg te vervolgen. Bergop met een volle maag spaghetti, ik geef het je te doen. Dus dan maar even weer af de fiets, en even verderop er terug op. Tsja. Nog shame, als het niet lukt dan lukt het niet. En ik had er ook alle vertrouwen in dat mijn fietsmaatjes boven wel op mij zouden wachten.

Na een bergop komt er gelukkig ook altijd een bergaf, en deze bergaf zat in het parcours van de Trophée des Grimpeuses Vresse-sur-Semois voor dames. Onderweg bergaf voelden we ons dan ook échte koereurs, met publiek langs de kant en mensen die foto’s namen. Grappig. 🙂
Eenmaal beneden was het weer tijd om de vochtvoorraad aan te vullen, en om ook de finish van de koers af te wachten. Overigens het was daar ook pokkeheet op dat terras. Daar zat ik dan, met al mijn warme kleding van die ochtend. Veel te veel aan, waar blijf je met al die spullen op een koersfiets hé?

1 van onze mederijders (ja Gino, jij!) dacht dat we daarna heel steil bergop moesten, bijna vanop het terras. Een klein paniekje maakte zich al wat meester, en ik bedacht dat ik dan toch maar weer te voet zou gaan. We zetten onze fietsen al handmatig op de kleinste plateau, dan waren we er toch al klaar voor, voor die helling die al gelijk na het terras startte.
Tot mijn grote verbazing bleek het allemaal wel heel erg goed mee te vallen. Ik fietste relatief gemakkelijk naar boven, en plots waren we ook aan ons logement. Waar was die steile helling nu?

In ieder geval: 64 kilometer en 871 hoogtemeters. Ze waren weer in de pocket. Dat glaasje cava was dan ook verdiend! 🙂

Lafôret, fietsweekend dag 2

Koud! En vroeg, dat ook, zo om 9u de fiets op. Allez bon ja, ik ga eerlijk zijn: niet exact 9 uur. De A-ploeg wel, maar bij de B-ploeg waren er toch een paar – lees, ik – met wat opstartproblemen. Ik heb nu eenmaal even tijd nodig om wakker te worden ’s ochtends! Voordeel is dan natuurlijk wel dat ik vanuit de badkamer nog even een fotootje kon nemen van de mannen van de A-ploeg. Astu, heren!

Maar uiteindelijk zat ook ik op mijn fiets, en konden we. Richting Frankrijk, richting Charleville-Mézières. Het eerste stuk ging nog vrij vlot. Een kleine bergop, en dan links. Links? Links? Die bosweg in of wat? Blijkbaar, en misschien was het niet zo ver op die bosweg… mis, mis en nog eens mis! Bijna kniehoog in het slijk (jaahaaa), en met een wiel dat sleepte van de viezig- en vuiligheid, besloten we na een paar meter toch terug te keren. Wel bizar overigens dat mijn fiets vol slijk hing en dat bij de anderen nog meeviel. Na wat met een stokje tussen mijn remmen ‘gekoterd’ te hebben, kwam het vuil gelukkig los.

Verder door naar boven dus maar. Om daarna langs de Semois verder te fietsen richting Frankrijk. Nu zou je denken dat dat naast zo’n rivier wel vlak fietsen is. Nog eens: mis, mis en nog eens mis! Een soort van vals plat, maar toch heel vals, met bedrieglijke meer dan molshopen. Gelukkig zette een ploegmaat mij regelmatig in zijn wiel (merci Stefan) en werd er ook regelmatig gecheckt of ook ik wel ‘mee’ was. Neen, a walk in the park zou ik het begot niet durven noemen!

Een dorpje verder ging het plots stevig bergop. Ik besloot dat varkentje van een bergop wel te wassen, en er gewoon voor te gaan. Helaas besloten mijn longen al piepend er anders over, dus besloot ik verstandig af te stappen. Mijzelf in het begin van de rit al kapotrijden had immers geen zin, en och… we hadden tijd, toch? Dus ja, ik ben die helling op mijn gemak opgestapt. En ik heb hier en daar ook een fotootje genomen. Ook in het bergaf rijden trouwens, wat ik trouwens zelf een huzarenstukje vond. Neeneen, niet al rijdende, ik ben gestopt. Alleen is het lastig om stil te blijven staan met een fiets tussen je benen op een stijl stuk naar beneden én ook nog eens een foto te nemen. Maar kijk… soms moet je het ook wel willen natuurlijk!

In dat dorpje daar beneden zagen we een terrasje waar we onze koffie konden drinken. Voor sommigen met schuim op, maar voor mij dus koffie. Ik wou absoluut het risico niet lopen om met watten benen verder te moeten.

En zie, ik kreeg gelijk. Want na dit dorpje fietsten we een mooi vlak stuk van ongeveer 15 kilometer langs de Maas. Het moment waarop onze kopman besloot om eens door te trekken naar een snelheid van rond de 30km/u gemiddeld. Ik zat in de beste positie – de derde – mooi in een wiel. Zo super, dat het ook lukte. Al had ik op het einde van het stuk wel zoiets van dat het geen kilometer langer had moeten duren. Maar misschien hebben de mannen wel gelijk toen ze stelden dat als het 20 kilometer lang geweest was, ik het ook wel zou gedaan hebben.
In ieder geval moest ik ze weer bij de zaak roepen, want echt … zo mooi daar, dus: fotooooooooo! Al die mooie plekjes, dat moet toch vastgelegd worden zeker! Ik ben niet voor niets de dochter van een amateurfotograaf! 😉

En het was lunchtijd! Hoog tijd dus om iets te gaan zoeken om de innerlijke mens te versterken. Makkelijker gezegd dan gedaan in zo’n stad waar blijkbaar ook een soort van poppenfestival aan de gang was. Maar wie zoekt die vindt, en uiteindelijk zaten we op een terrasje in de schaduw.

Niet te lang natuurlijk, want de volgende hellingen lagen al te wachten. Ik kroop ze als naar gewoonte allemaal omhoog, of tenminste, dat gevoel had ik toch. Altijd aan het staartje, altijd laatste boven. Al hadden de fietscollega’s na de voorlaatste helling wel een héél erg goed idee!

Met nog een kleine klim hierna, hadden we toch weer mooi een goede 75 kilometer in de benen, met 729 hoogtemeters. De douche lonkte. Dat is, nadat ik mijn fiets gekuist had, want dat slijk moest eraf. En de ketting gewaxt. Enzo. Ik word nog eens een echt. Enfin, de rit van morgen lonkte ook. Maar daarover morgen weer meer! 😉

Lafôret, fietsweekend dag 1

Fietsweekend! In de Dardennen! Eerlijk? Ik keek ernaar uit, maar ik was er tegelijkertijd ook bang voor. Zeker na de ietwat desastreuse rit naar Overijse. Die rit waar ik bewezen zag dat ik het niet kan, klimmen. Die rit waar ik tig keer van de fiets moest, omdat ik gewoonweg niet boven geraakte. Dus bon ja… wat ging ik daar eigenlijk doen in die Dardennen? Waarom had ik mij zo optimistisch ingeschreven?

En jaaahaaa… ik weet dat het de Ardennen zijn. Maar laat mij het nu gewoon maar over de Dardennen hebben, zoals iedereen dat doet. De Dardennen, met de mannen van de fietsclub. Nog zoiets. Want volgens mij waren die allemaal wél vlotjes de klimmetjes boven geraakt. Een klein stresske dus, al van voor we vertrokken waren.

Nu is het zo dat ik mij eind augustus inschreef voor de Beat-challenge. De Beat-challenge, dat is elke dag van september minstens 25 kilometer fietsen. Kan ik, toch? Ik heb het er later nog over, over deze challenge, maar mijn plan was dus om op de startdag van die 4-daagse deze 25 kilometer nog even thuis te rijden. Want mijn compagnon de route was zinnens om aldaar nog te gaan fietsen, maar gezien hij in de A-ploeg rijdt en ik in de B-ploeg, bedacht ik dat het ook leuk was om ergens in het zonnetje te gaan zitten met wat muziek in de oren en een boek bij de hand.

Dat was het plan. Het liep iets anders. We vertrokken al in de voormiddag, want er waren toch nog enkele mannen van de A-ploeg zinnens om al een ritje te doen, die eerste dag. En gelukkig waren er ook al 2 heren van mijn fietsploegje present. Heren ja, want de mannen wilden niet dat ik alleen in de bossen van Dardennen zou gaan ronddwalen op mijn fiets om mijn 25 kilometer te fietsen. Ik ben nochtans niet bang van de grote boze wolf.

Er werd snel – lang leve de GPS – een ritje getoverd van een 40-tal kilometer, want ik was wat bang voor de ritten die we vooraf doorgekregen hadden, met al die hoogtemeters. Evengoed voorspelde ook deze rit ongeveer 600 hoogtemeters. Op veertig kilometer. Zucht. Zei ik al dat ik stress had? Zeker al op zo’n eerste dag, al zoveel hoogtemeters! Maar ik was daar nu eenmaal om te fietsen, dus bon ja… fietsen maar zeker hé!

Wij weg. Om eerlijk te zijn was het plan eigenlijk: “we fietsen tot we een cafeetje zien, en gaan dan iets drinken”. Tot grote hilariteit kwamen we dat cafeetje al na 1 kilometer tegen, maar we beslisten toch maar verstandig om nog een stukje door te fietsen. Een stukje met een helling begot! Een helling, wat zeg ik? Een hele berg ja! Schakelen Sandra, schakelen. Klein blad, en dan gewoon op karakter naar boven. Ik moest en ik zou. En zie! Het lukte! De beloning was dan ook fantastisch, en redelijk onverwacht, want ik wist eigenlijk niet waar we naartoe aan het fietsen waren. Le Tombeau du Géant. Wat een uitzicht!

Op het terras daarboven was helaas geen plaats, dus wij door. Ik voelde mij best wel stoer, zo op mijn koersfietske, daar zo wat rondrijdend. Tot ik hoorde dat er ons een klim van maar liefst 6 kilometer ons wachtte. Angst, en lichte paniek, alweer. Want ZES kilometer klimmen, dat ik is pokkever! En hoog, dat ook. Maar wat moet moet zeker? Een beetje met de moed der wanhoop begon ik eraan, maar met wat coaching en goede raad (merci Tuurke) wist ik gelukkig toch de goede cadans te vinden. Trappen, niet nadenken, en hoogtemeters maken. Meer was het niet. Kuch. Toch? Boven, op een muurtje, zat de snelste van ons trio ons op te wachten. Een paar slokken uit de drinkbus, en wij hups weer door.

Eens helemaal boven volgde er een zalig stuk door de bossen. Enneh… wat was dat met de wegmarkering? Waren we in Frankrijk? Jawel hoor, we hadden het niet gemerkt, maar we waren wel degelijk Frankrijk in gefietst. Daardoor leek het alsof we al eindeloos ver gefietst waren, maar de plaat die “Belgique” aankondigde kwam al snel in zicht. En eens terug België in, kwamen we na een mooie afdaling ook terecht in een dorpje waar we een cafeetje vonden dat open was. Hoera! Want de innerlijke mens had dorst! Nadat de dorstigen gelaafd waren, reden we door. ’t Is te zeggen: eerst hadden de mannen alle tijd, maar dan plots moest het allemaal ineens snel gaan en zaten ze al op hun fiets terwijl ik nog op zoek was naar mijn helm. Tsssss. Dan maar op naar het laatste klimmetje. Een kleintje. Anderhalve kilometer. Alles is relatief. Dat laatste klimmetje zou ook nog wel lukken zeker? En ja hoor, dag 1 helemaal overleefd! 40 kilometer, 589hm.

Alleen… nu kreeg ik weer stress voor dag 2, want zou ik dag 2 nog kunnen fietsen met benen die al zoveel hoogtemeters geklommen hadden?

(wordt vervolgd)

(overigens, altijd al eens een vervolgverhaal willen schrijven. Spannend dit, toch? 😉 )

De Smeys en consoorten

De rit van vandaag ging naar Overijse. Overijse. Dat is met heuveltjes enzo. Ik had in de rapte even een blik op de gpx geworpen, waarna even de “teveel heuveltjes naar mijn goesting”-gedachte door mijn hoofd schoot.

Maar goed. Ik schreef mij afgelopen week in voor de BeatEveryDAy-challenge, en fietsen moest ik dus toch. En er werd mooi weer voorspeld, dus och ja… fietsen dus maar.
Al van bij de start van de rit voelde ik dat het ‘m niet zou worden vandaag. Wat ‘m is kan ik niet goed beschrijven, maar in ieder geval iets met een hartslag die al gelijk veel te hoog lag en met een tempo wat ik niet zo goed kon volgen. En toen reden we nog op de vlakke stukken. Ik hield mijn hart al vast, in zoverre dat dat natuurlijk kan als je op een koersfiets zit natuurlijk.

De eerst bergopjes gingen – naar mijn norm – nog ok. Ik herkende op de route hier en daar wat baantjes en paadjes van toen ik nog heel veel liep. Leuk, feest van de herkenning. En toen kreeg ik plots een klein paniekaanvalletje. Want een blik op de GPS zei mij “Smeysberg“. Eeeeh… halloooooo??? Ik had toch nog maar net een paar dagen geleden tegen een collega gezegd dat ik die Smeys nooit vanzeleven zou oprijden? En nu zouden we dan toch… ?

En jawel hoor…. we draaiden af, en daar stond de Smeysberg in volle glorie te blinken in de ochtendzon. Damn. En paniek, dat eigenlijk ook. Al van voor ik eraan begon. Evengoed, ik moest erop. Trappen gelijk zot dus maar, want dat is hoog, en vooral steil. Paniek! En die paniek nam al heel snel de overhand, want om de een of andere reden was ik niet bezig met omhoog fietsen, doch wel met uitklikken. Want ja, stel dat ik stil val, en dan niet kan uitklikken, dan val ik om. Dat dus. Ik was dus eigenlijk meer bezig met dat uitklikken dan met gewoon trappen en zien dat ik boven geraakte. Zucht. Uiteindelijk lukte dat uitklikken ook wel, maar toen was het ook wel gedaan met trappen natuurlijk. Te voet verder omhoog dan maar. Nu ja, goed… tot daaraan toe. Boven wachtte ons overigens een traktatie van Aldi in de vorm van een appeltje en een fietstruitje. Zomaar. Top!

Ik dacht dat ik met die Smeysberg het ergste achter de rug had. Think again Sandra, en kijk in ’t vervolg beter naar de route voor je vertrekt! De Moskesstraat kwam nog. Een helling van alweer ongeveer 9,2%, maar op kasseien. Man man – of vrouw vrouw – respect voor die wielerpro’s die daar tegen een snelheid die ik nog niet eens op een vlak parcours haal opknallen. Pfff. En ja, je raadt het al: weer de fiets af, weer te voet. Blegh.

Daarna kwam er nog een klim met kasseien, en daarna wou ik mijn fiets aan de haak hangen. Het huilen stond mij nader dan het lachen. Geen enkele van die steile klimmetjes kon ik, en overal moest de ploeg op mij wachten. Het lukte gewoon niet, ik kon het niet, en on top gingen mijn longen ook weer piepen. Wat deed ik daar ook eigenlijk?
Een beetje erna kwam er een langere klim die mij duidelijk beter lag. Niet dat ik deze in een geweldig tempo reed, maar dat is bijzaak. Ik fietste helemaal naar boven, op toch ook een helling die niet van de poes was, maar toch overheerste nog altijd het gevoel van teleurstelling.

Aan het einde van de rit moest ik dan ook concluderen dat deze rit eigenlijk veel te zwaar was voor mij. Niet omwille van het aantal hoogtemeters, want ik heb er al weleens meer gereden, wel omwille van de aard van de hellingen. Kort en steil, dat ligt mij duidelijk niet. Ik panikeer, en daardoor durf ik ook niet meer verder te fietsen.

Wat wel jammer is. Want de rit op zich was echt heel erg mooi. Ik heb prachtige vergezichten gezien, en bergaf fietsen is ook nog altijd de max. Maar ik heb daar veel te weinig van kunnen genieten omdat ik veel te hard bezig was met afzien, of met denken dat ik zou afzien. Of vallen. En foto’s heb ik daardoor helemaal al niet kunnen nemen.

Intussen zijn we een paar uur verder, en is de rit verteerd. De teleurstelling nog niet. Het blijft toch wat draaien, dat ik die hellingen niet helemaal kon omhoog fietsen, dat ik zo dood was. En bon ja… dan zet zich dat in mij hoofd. Want misschien kan ik dit wel, die hellingen oprijden, en is het eigenlijk alleen maar kwestie van de juiste mindset en focus. De eerste reactie na de rit was eigenlijk dat ik deze rit nooit meer wou rijden. Maar nu begin ik toch stilaan wel te denken dat ik ze toch nog weleens wil doen. Maar dan met een betere mindset, en met minder paniek. Ik heb geen idee of ik er dan wél helemaal kan oprijden, op die nijdige heuvels, maar ik wil toch niet het gevoel hebben dat ik zomaar de handdoek in de ring gegooid heb zonder het nog eens te proberen. Wel niet direct volgende week natuurlijk…. 😉

De eerste keer…

… fietsbandjes zelf vervangen. Ja halloooooo, wat anders?

Vorige week reed ik lek. Zie ook vorige blog. Niet eens een steentje, nageltje of glas was de boosdoener. Niks van dat alles. Mijn band was gewoon versleten, er zat een gat in. Pfff. En bon ja, dan kan je zeggen: check jij dat niet? Het antwoord is dan simpel: neen, tot op heden checkte ik dat niet. Ik had laatst aan iemand die het kan weten gevraagd of mijn banden nog ok waren, en er werd mij geantwoord dat ik er nog makkelijk tot het einde van het seizoen mee verder kon. Nu goed… ofwel heb ik intussen teveel gereden, ofwel is het seizoenseinde er sneller dan verwacht. 😉

Maar goed, kapotte bandjes, die vragen om vervanging. 2 nieuwe besteld, die werden netjes geleverd. En daarna kwam de twijfel: zou ik, zou ik niet. Ik zou! Ik ging het zelf proberen, om ze te vervangen. Uiteindelijk moet ik die theorie toch wel eens in de praktijk omzetten, En ook: misschien helpt het van mijn plattebandenstress af, als ik weet dat ik het kan.

Ik dus aan de slag. Fiets in fietsstandaard (jeps, ik heb zo’n ding, ergens goedkoop op de kop getikt ). Wiel eraf halen was geen probleem. Voorwiel dan hé! Doh! Band eraf ging ook vlotjes, binnenbandje eruit, band er helemaal af. Tadaaaa! Een naakt wiel! Ajaaa, want het had geen bandjes aan. Tsss.

De nieuwe buitenband er langs 1 kant opleggen was op zich ook geen probleem. Wel 7 keer gecheckt of hij in de goede richting lag, maar ik denk dat het ok is. Daarna binnenbandje erin, buitenband langs de andere kant over de velg trekken, en tadaaaaaaa! Het lukte mij zowaar! Enkel het wiel terug in de fiets zetten was niet helemaal ok, want ik kreeg het hendeltje niet dicht geklikt. Nog een beetje oefenen daar dus.

Daarna kwam eigenlijk het lastigste: het achterwiel. Eruit ging nog vrij vlotjes. Ok ja, mijn handen hingen wel vol smeersel (wie zei er ook dat je ketting waxen properder is dan oliën? ) maar het wiel was eruit. Zelfde procedure als het voorwiel, en luttele minuten (ha, haha, hahahaha!) later was het klaar. En omdat het achterwiel er nu toch uitwas, kon ik gelijk even de stukken waar ik anders niet aankon kuisen. Al was dat met die ontvetter en dat borsteltje ook niet mijn beste idee, bleek later toen ik naar mijn benen en voeten keek en alles onder de zwarte spikkels bleek te zitten. Al doende leert men zeker?

Bon, dat wiel er terug inkrijgen, dat was dus iets wat niet helemaal goed ging. Daddis… ik kreeg het er wel in, maar het wou niet meer draaien. Gezien het over een fiets gaat was dat toch een klein probleemke. Na een keer of 3 wist ik het niet meer. Het lukte niet. Daar ging mijn plan. Kan ik een band vervangen, krijg ik het wiel er niet meer in! De hulplijn dan maar ingeschakeld. Die haalde de fiets van de standaard, zette hem ondersteboven, en in no-time zat dat wiel er toch in. Hoera! We kunnen weer fietsen!

Allez bon ja, de ketting moest nog. Ontvetter erop, tig keer met die doek over die ketting, daar blijft dus maar vuiligheid afkomen. Op de duur toch maar beslist dat het goed moest zijn zoals het was, en de ketting terug in de wax gezet. All is well when it ends well. Ik moet nu nog wel een proefritje gaan maken, om te checken of alles wel degelijk bolt zoals het moet bollen. Maar dat zal toch wel zeker?

Congé olé olé!

Ha! Ik had een halve blog getypt over de vakantie, maar bij het herlezen vond ik het zelf nogal wat gezaag. En gezaag, dasniegoe! Oepternief dan maar, maar over wat?

Fietsen? Hehe… fietsen ja, dat is wel iets waar we het over kunnen hebben. Over de rit van afgelopen zondag bijvoorbeeld, die rit waar ik weer duizend tandjes heb moeten bijsteken. Die rit ook waar mij gevraagd werd “waarom ik zo stil was” en “dat het nu wel veel stiller was dan op het feestje van afgelopen vrijdag”. Ha! Ten eerste: het tempo lag hoog en ten tweede: om 8u vertrekken is en blijft pokkevroeg! Nem! 😉

Een paar weken terug had ik trouwens een stoefblog – ik noem het zelf eigenlijk progressieblog 😉 – geschreven omdat dat fietsen zo goed gaat, en alsmaar beter. Een progressie die ik in het lopen eigenlijk nooit gemaakt hebt. Ja, ik kon alsmaar langer en verder lopen, maar qua snelheid bleef het altijd een beetje status quo, met hier en daar een ietwat snellere uitschieter. Geen idee hoe dat komt.

Maar dus, in die blog had ik het erover dat ik ein-de-lijk eens die 27km/u gereden had. Niet zomaar op een stukje van een kilometer of 10, maar gemiddeld over een rit van een 80-tal kilometertjes. En zeggen dat het streven ooit 25km/u rijden was. Wat ik op een dag ook deed, op een ritje van een kilometer of 10. Minder zelfs denk ik.
Het streven bleef in ieder geval een langere rit aan dat tempo rijden. En zie nu. The only way is up. Dat vele tandjes bijsteken en stilzwijgend meegaan in het tempo, dat resulteerde zowaar in 27,6km/u over een afstand van goed 87km. Moet ik het nog zeggen? Of niet?

Uhu… jaja, tuurlijk.. tuuuuurlijk bijt die 28km/u nu. De eerste 40km reden we ook dat tempo gemiddeld, maar in de laatste kilometers zak ik toch altijd wat in en heb ik het gevoel stil te staan. Ik word dan altijd naar voor gejaagd, om mij daar beter te positioneren in een wiel, maar na elke bocht, beetje vals plat omhoog of bergop ben ik het/ze altijd weer kwijt. Te voorzichtig? Al vind ik dat ik al veel meer durf dan 2 jaar terug. Maar toch, maar toch… als ik dat nu nog wat kan bijtrainen, en als ik ervoor zorg dat die benen in de laatste kilometers niet meer zo verzuren, dan moet dat mooie cijfer 28 toch mogelijk zijn zeker? 😉

Ik was trouwens met dat bijtrainen vorige week woensdag al begonnen. Met een ritje van om en bij de 70 kilometer op woensdagavond. Of dat was toch de planning. Het werden wat meer kilometertjes, want hier en daar een omwegje en ook een paar keer verkeerd rijden. Het was anders wel dorstig weer woensdag, en onderweg waren de terrassen dicht. En gelukkig had ik woensdag een paar fotootjes genomen.

Want afgelopen zondag lukte het niet om foto’s te maken. Nochtans reden wij ook dan een megamooie rit, langs mooie weggetjes, en leuke plekjes, maar dat tempo en die tandjes bijsteken hé! 😉 You can’t have it all zeker? Wel een platte tuub. Maar dat kwam niet door het tempo maar omdat mijn band versleten is blijkbaar. Misschien is dat ook iets wat ik – net zoals met mijn loopsloefkes – moet gaan bijhouden, hoe ver ik al met mijn nieuwe banden gereden heb. Kwestie van tijdig de schoentjes te vervangen om dit euvel toch al uit te sluiten… Mijn nieuwe bandjes liggen in ieder geval al klaar voor de volgende rit! (Nu ze alleen nog op de wielen zetten 😉 )

Oh, en voor wie het nog niet doorhad: ik doe van staycation hier. Iets met een nieuwe oprit die in deze periode zou gelegd worden, maar wat door een regenvlaag of 1000 verplaatst is naar een latere datum. Dus ja: congé olé olé, dat is dus fietsen. En een klein beetje lopen ook. 😉

Tadaaa! De keuken!

De keuken. Ik had het er al eens over, toen we net onze nieuwe keuken geleverd kregen. Het plan was toen ook simpel: oude kastjes afbreken, nieuwe kastjes en toestellen plaatsen.

Geen idee wat er gebeurde, maar iets met enthousiast, en toch iets grotere plannen dan gewoon kastjes afbreken. Want waarom zouden we ook niet al die oude tegeltjes eruit gooien? Mooi vonden we die toch niet. En wat met al die verspringende sokkels? Houden? Neen, eigenlijk geen zicht. Dus ook hier: weg ermee.


En dan was er ook nog een raam. Een raam wat we al niet vervangen hadden toen we alle andere ramen wél vervingen. Want toen was er al het “dit raam moet weg wegens overbodig”-idee. Dus bon ja… doorbijten dan maar, raam eruit, en dichtmetsen die boel.

Tsja… en dan krijg je natuurlijk een soort van ruwbouw. Alle muren afgekapt tot op de blote steen. De stopcontacten werden aangepast, het was er dan ook het ideale moment voor, en daarna: 3 muren bezetten! Waarna het lastigste stuk kwam: het laten drogen. Dat duurt laaaaaaaaaaaaaaaaaaaang. Nu goed, ik snap het ook wel, want op natte muren kunnen er uiteraard geen kasten gezet worden. Maar wat een verschil al!

Na goed 3 weken waren de muren genoeg uitgedroogd, en kon er – eindelijk 😉 – gestart worden met het opbouwen van de keuken. Tussendoor ook nog even een keukentablet of 2 gaan scoren bij den Brico (nope, niks gesponsord, alles zelf betaald, zelfs zonder Ecocheques, want nét dat blad wat ik koos daarop waren die Ecocheques natuurlijk niet geldig *dubbelzucht*) en nog een blad bijbestellen, want inderdaad ja… net eentje tekort.
Maar uiteindelijk kwam het allemaal wel goed.

En ziedaar, de keuken tot op heden. Alles werkt, ik voel me als een kind in een snoepwinkel. Er moeten nog wat dingen afgewerkt worden, zoals de handvaten die nog moeten geplaatst worden, plintjes die moeten gezet worden, een venstertabletje moet nog gelegd worden, en er moeten nog 2 deurtjes geplaatst worden als de scharniertjes er zijn. Maar toch: wat een weeeeereld van verschil al.
Daarom: tadaaaaaa tadaaaaa tadaaaaaaa! De keuken vandaag, de na zeg maar.

Met hele grote dank aan mijn keukenbouwer, niet alleen voor het bouwen, maar ook voor het tekenen, het meedenken en het afbreken. Ik ben content mannekes, wree content! Want dit is de eerste keer in mijn volwassen leven dat ik een splinternieuwe keuken heb. Hier gaat in de congé olé olé nogal gekookt en gebakken worden ! *insert dikke vette knipoog voor diegenen die mij kennen* 😉

Het nieuwe fietsseizoen is gestart!

Ja ok ja, het nieuwe fietsseizoen is al even bezig. Blijkbaar had ik begin maart daar iets over geschreven, maar is dit blijven staan in mijn drafts. Maar omdat iedereen een nieuwe kans verdient, ook mijn schrijfsels, ziehier: iets over de start van het nieuwe fietsseizoen. Dat startte overigens onder vriestemperaturen, koud dus.

Ik ga er ook niet teveel over vertellen, de tekst is namelijk al erg gedateerd, dus ik moet van “kill your darlings” doen. Heelder lappen tekst deleten dus. Snif snif snotter. Al die mooie woorden, al die prachtige zinnen, gewoon weg!

Misschien maar goed ook, want die eerste rit van het seizoen, dat was er eigenlijk geen om over naar huis te schrijven. Laat staan om over te schrijven. Kijk, ik zet hier een stukje uit de oorspronkelijke tekst: “De eerste rit van het seizoen, dat is meestal de meest rustige rit. De meest vlakke ook. Kwestie van er een beetje in te komen. Uhu. Niet dit keer blijkbaar. Er werd gekozen om er dadelijk wat hoogtemetertjes in te steken. In een EERSTE seizoensrit zeg! En wie had dat beslist? Tss tss! Ik was na goed 20 kilometer en wat bergopjes al piepedood! En neem dat piepen maar letterlijk. :)”

Jeps, dat was de teneur. Ik.kon.niet.mee. De mannen hadden voor de seizoensstart al heel wat kilometertjes in de benen, ik alleen maar mijn woon-werkritten. Maar goed, ik moet wel toegeven: ik werd galant naar de finish geloodst, want er wordt niemand achtergelaten. Gelukkig maar!

Goed, en dan kom ik nu waar ik eigenlijk wou zijn, bij de rit van afgelopen woensdag. Feestdag en zo vanal, en dus vrijaf, en dan kan er gereden worden. Na de – voor mij – erg zware rit van zondag met 500+d, wachtte er een vlakke rit. Naar Wiekevorst, voorbij Heist op den Berg. Jeps, dat op den Berg is eigenlijk vals plat, maar in vergelijking met afgelopen zondag was het een heel andere rit.

Want ik kon mee. Mijn benen draaiden goed, zelfs na 10 kilometer kopwerk (ha, wie niet rap rijdt moet slim zijn en de kop bij het begin doen 😉 ) . Toen er onderweg even een kleine pauze genomen werd (plasje, koekje, drankje – en ja mannen, dat plasje neemt bij vrouwen iets meer tijd in beslag dan bij mannen ) piepte ik eens even naar het aantal kilometers dat we gereden hadden, en zag ik ook onze gemiddelde snelheid tot dan: 27,2km/u. Halloooookes! Met nog een goede 40 kilometer voor de boeg zou het toch wel mooi zijn om dat gemiddelde te kunnen houden, niet? Overigens, ik zet mijn GPS altijd op kaart, want ik heb gemerkt dat fietsen veel beter gaat als ik onderweg niet met het aantal kilometer bezig ben, noch met mijn hartslag. Die voel ik vanzelf toch ook wel sneller gaan.

Ik besloot er stiekem toch voor te gaan. Of te fietsen. Ik zorgde ervoor dat ik altijd ergens goed in het midden van de groep zat, was altijd mee met het tempo, en probeerde gaatjes dadelijk dicht te rijden als ik ze liet vallen. Want oh boy, hoe geweldig zou het zijn om van 23,7km/u voor 66 kilometer aan de start van het seizoen nu naar 27km/u te gaan? Ik kon het toch niet laten om naar het einde toe toch nog eens te checken of we nog altijd “on track” waren. En wat denk je???

Tadaaaa! Het werd zelfs nog beter: de volle 86 kilometer werden gereden aan 27,3km/u. Spot the difference met de rit van begin maart, de getalletjes aan de komma zijn gewoon van plaats gewisseld. Mijn snelste rit ooit zeg! Speekmedalje! 😉

Dus ja, ik moet heel dikwijls wat tandjes bijsteken, en bergop zal nooit mijn dada worden. Maar vlakke ritten, mannekes, die rijd ik supergraag! En met dank aan het leuke ploegje is er duidelijk ook progressie. Wat zeg ik, is er duidelijk véél progressie. Plezant, dat fietsen. Ik zeg het nog eens, plezant! Heel plezant!

Aja, en omdat we zo rap gefietst hebben heb ik natuurlijk geen foto kunnen maken. Geen tijd, ik moest fietsen hé! Daarom eentje van een tijdje terug, bovenop de heuvel, toen we nog “en petit comité” fietsten.

Dag noenkeltje

Vorige week overleed mijn ‘noenkeltje’. “Noenkeltje”, dat is de broer van mijn vader, en eigenlijk de enige échte oom die ik gekend heb. Er zijn nog wat vage herinneringen aan mijn andere oom, de broer van mijn moeder, maar hij overleed toen ik ongeveer 8 jaar was in een fabrieksongeval.

Dus ja, 1 échte oom nog. De oom die ervoor zorgde dat de kerstman cadeautjes bracht. Tenminste, toen wisten wij dat niet, dat hij het was die die zak met cadeautjes voor de deur zette op kerstavond. En ook de oom die ervoor zorgde dat er paaseitjes in de tuin bij onze grootmoeder lagen. Dat hij vlak daarvoor altijd even ‘naar het toilet’ moest, wisten wij veel?

Mijn ‘noenkeltje’, dat is ook de man die doodsangsten heeft uitgestaan toen hij mij leerde auto rijden. Ik had dan ook nog nooit met een auto gereden, laat staan dat ik wist wanneer ik welke pedaal moest indrukken of hoe ik moest schakelen. Wonderlijk genoeg is het hem toch gelukt om het mij allemaal te leren. Al moest ik daar dan wel op zondagochtend vroeg voor mijn bed uit. Want om 9u startte de les, en ik kon maar beter zien dat ik – op zaterdag uitgaan of niet – present was. Eerst moest ik de maneuvers oefenen. Achteruit inparkeren, op een rechte lijn achteruit rijden… het moest allemaal perfect zijn of ik mocht geen toereke gaan rijden. Het lukte altijd. Want ergens op de rit kreeg hij toch altijd dorst, moest ik parkeren en gingen wij samen een koffie drinken.

Hij probeerde datzelfde met mijn broer een paar jaar later, maar die reed altijd door toen hij de melding “ik heb dorst” kreeg. Hoogst waarschijnlijk dacht hij aan zijn portemonnee, terwijl ik eigenlijk nooit die koffietjes zelf heb moeten betalen. 🙂

Toen ik trouwde, was hij ook de man die een lijnbus charterde (hij was ook buschauffeur) om al onze gasten veilig op bestemming te krijgen. En onze cadeautjes netjes bij ons thuis. 🙂
En ook bij de verbouwingen aan ons eerste huisje tekende hij present, om samen met mijn papa én onze buurman ervoor te zorgen dat onze oprit piekfijn in orde kwam.

Het afgelopen jaar zag ik hem, door de alom gekende omstandigheden, niet. En toen bleek hij plots ongeneeslijk ziek, en ging het snel. Erg snel.

Ik ging er eigenlijk nogal vrij licht over. ’s Ochtends naar het werk gefietst, paar uurtjes werken, dan terug naar huis, snel een douche, mijn mama ophalen, en naar de uitvaart. En dan blijkt dat je er toch een serieuze slag van krijgt, van alweer afscheid moeten nemen. Mijn sporthorloge, dat ik sinds december heb, meet ook stress. En het is de eerste keer in die zeven maanden dat het zoveel stress gemeten heeft. Verdriet, het doet iets met een mens.

Mijn batterij was die avond dan ook letterlijk helemaal leeg. Inderdaad, de functie “body battery”, die tot 100 gaat, stond nog op 7. Historisch laag, ook nog nooit gezien in die 7 maanden dat ik het horloge nu draag. Het mag dan ook eens gaan stoppen, met dat afscheid moeten nemen.

Ik sluit graag af met ‘iets’ van Dana Winner. Want, noenkeltje, ooit kreeg ik van jou een CD van Dana cadeau. Omdat jij haar graag hoorde zingen. Daarom: voor jou, Dana.

Kuis uwe velo!

De laatste tijd fietste ik niet meer zo lekker met mijn woon-werkfiets. Nochtans, in het begin waren wij dikke vriendjes. Het fietste vlotjes naar en van het werk, en af en toe deed ik er ook nog een zomers avondritje mee.

Echter, op een dag reed ik plat. En een tijd later nog eens. En vlak daarop nog eens. Niet allemaal op 1 dag natuurlijk, maar mijn buitenbanden waren blijkbaar versleten. Om toch comfortabel te rijden en lekrijden uit te sluiten, vroeg ik bij de fietsenmaker naar tubeless banden. Mijn velgen waren daar al op voorzien, maar hij raadde dat af en stelde mij antilek-banden voor. Antilek-banden die eigenlijk voor een elektrische fiets waren, maar bon… de winter stond voor de deur, een stevig bandje kon geen kwaad.

Dat stevig bandje, dat was echt wel wennen. Ik had het gevoel dat ik toch iets harder moest trappen, en de wegligging was ook maar zus-en-zo. Lees: op klinkers had ik telkens het gevoel dat mijn fiets wegslipte. Blijkbaar – zo bleek maanden later – had ik de banden ook steviger opgepompt dan eigenlijk aangeraden is, maar of dat nu het issue was, geen idee.

Intussen rijpte meer en meer het idee in mijn hoofd dat ik een nieuwe fiets moest om te woon-werkfietsen. Eentje voor de zomer, eentje om wat vlotter te kunnen fietsen. Want eerlijk, ik werd stilaan begot depressief van al die jongedames die op hun e-bike mij al fluitend voorbij gingen, terwijl ik mezelf in het zweet trapte en naar mijn idee geen meter vooruit ging. Op een dag stak mij dat zo tegen, al die jongedames op e-bikes op een rij voor mij (maar écht hé, vijf stuks, achter elkaar, en dan proberen elkaar de loef af te steken) dat ik mezelf dik in het rood fietste maar ze toch 1 per 1 voorbijreed. Ném. Eat this en zo vanal. Enfin, vooral voor mezelf de opsteker die ik nodig had. Want blijkbaar was de fiets toch niet afgeschreven, en zou het misschien aan de bandjes kunnen liggen?

Ik dus op zoek naar de banden die op de fiets stonden toen ik ‘m kocht. En hoera, ik vond niet helemaal dezelfde, maar toch iets gelijkaardigs. In ieder geval al een band die geschikt was voor het type fiets waar ik op fiets. Dat zou al moeten helpen. Besteld, dagje later geleverd, en toen lagen ze daar. Want de moed om ze ook effectief op mijn fiets te zetten ontbrak mij. Ik herinnerde mij ook nog levendig die keer toen ik dat zelf een keer probeerde op die fiets. Band eraf was niks, maar dan er terug op…. na bijna een uur zwoegen en vloeken moest ik toen een hulplijn inroepen.

Maar afgelopen weekend was het ineens genoeg geweest. De week ervoor was mijn racefiets door een ploegmaat in orde gezet, en hij had als tip meegegeven om de ketting te waxen. Die wax, die had ik dan gelijk ook maar besteld, en bon ja, dat moest ineens toch gebeuren. Woonwerk-fiets uit de garage gehaald en eerst maar begonnen met poetsen. Vies, vuil, slijk overal. Tsja, als je eigenaar jou zo behandelt dan ga je vanzelf slechter fietsen natuurlijk. Een goed uur later zag hij er al heel anders uit, en blonk ook de ketting als een spiegeltje, met dank aan de ontvetter. Alles goed laten drogen, nieuwe bandjes erop (met dank aan manlief die zich daaraan gezet heeft 🙂 ), ketting gewaxt, en dan een klein proefritje. En wat een verschil! Maar echt hé, die fiets bolde weer als nieuw!

De dag erna kwam de grote test op mijn rit naar het werk. En verbeeldde ik het mij, of fietste dit echt veel leuker? Ging dit nu niet gemakkelijker? En een ietsiepietsie sneller? En zo stil zeg! Geen gekraak van niks, niet als ik links trap, niet als ik rechts trap.

De relatie met mijn woonwerk-fiets is dus weer hersteld. We zijn weer goede maatjes, en ik heb deze week mij toch ook maar weer aan een klein lusje gewaagd, want het fietste toch – hoewel tegenwind – vrij vlotjes.

Moraal van het verhaal in ieder geval: Sandra, kuis uwe velo! 😉